De wereld der Verzekeringen [Nieuwsblad]

7 10 2010

Paardrijden rond Khövsgöl Nuur, een groot meer in het noordwesten van Mongolië, ver van alle beschaving, is zalig, tot… KRAK. Bij het bestijgen van zijn paard breekt Andrea, een Italiaanse vriend, zijn been. Scheen en kuitbeen gebroken en gedisloceerd. Uiteraard bevriest de reis en een nieuwe reismakker wordt plots een beste vriend die je hulp nodig heeft.

Het midden van de wildernis. Dat betekent: de gids snelt in galop naar het dichtstbijzijnde dorp, Khatgal, en haalt een voertuig met een dokter. Een viertal uur later verschijnt een oude Russische jeep die het eerste deel van de redding moet inzetten. 40 km van pijn over onmogelijke tracks. Een tweetal uur kermen, maar uiteindelijk toch aan een veldhospitaal aankomen. Waar je niet bij stilstaat op zo`n moment zijn de kosten. Een kleine $200 voor de rit. Een peulschil voor ons, maar na enkele dagen het voorval te laten rusten besef je: een maandloon voor de gemiddelde Mongool in deze streek.

En vanaf dan begint het voor mij. Ik bel Andrea`s vader en zijn verzekering. Blijkt dat de verzekering met terugbetaling werkt en dus niks regelt, noch voorschiet. Ik word dus boekhouder en regelaar van transport en medische verzorging. Niet waarnaar je verlangt op een reis natuurlijk. Enkele dagen vol ziekenhuizen en bankzaken. Het geeft je wel een inzicht in het grote verschil tussen onze luxepositie in het Westen en de botte werkelijkheid die een zieke inwoner van Mongolië moet doorstaan.

De basisziekenhuiskosten worden in Mongolië wel gedragen en het verblijf in het veldhospitaal, inclusief verzorging en pijnstillers kost ons minder dan $10 en zou zeker betaalbaar zijn voor een Mongool, maar het professioneel onderzoek en deftig spalken van een been kost opnieuw een kleine $200 en zou voor een Mongool betekenen dat het tweede maandloon verdwenen is.

Het transport naar een hospitaal die deze lelijke breuk kan behandelen zou een hobbelige rit van 14u inhouden en zou via openbaar vervoer of privaat transport geregeld worden aangezien ziekentransport niet bestaat in Mongolië. Wij beslissen dan maar om een helikopter aan te vragen. Een service die in Mongolië niet verbonden is aan hospitalen en enkel via privé-bedrijven geregeld kan worden. De $23.000 die wij moesten neerleggen (aangezien de verzekering pas nadien terugbetaalt) is een onbestaand hoog bedrag voor een locale inwoner en is zou voor een gemiddeld Europees gezin ook geen optie zijn zonder verzekering. Voor de onverzekerde stopt het verhaal dus hier.

Degelijke medische verzorging en vervoer in Ulaanbaatar zorgen voor nog eens $3.000 en het terugvliegen met noodzakelijke begeleiding naar een Europees ziekenhuis een extra $2.500.

Het spreekt dus voor zich dat een reisverzekering, die alles wat je van plan bent op reis, dekt geen overbodige luxe is. Maar let er dan ook op dat je een verzekering kiest die je bijstaat vanaf het begin met eigen transportmiddelen en die je geen onmogelijke bedragen laat voorschieten.

Maar veel belangrijker is het te beseffen dat voor de Mongolen een dergelijke degelijke ziekteverzekering, die het niveau van een Europese reisverzekering haalt, onbereikbaar is. De aanwezige ziekteverzekering van de staat gaat niet verder dan basisverzorging en basismedicijnen omdat alles wat privé is – en dat betekent dus ook hoger opgeleide dokters in dit land – buiten het gedekte systeem valt.

Dit blijft natuurlijk een ver-van-mijn-bed-show, maar als we even moeite doen om dit verhaal naar huis te transformeren kan het verhaal misschien iets betekenen. Wat als de ziekteverzekering bij ons afgezwakt of totaal geprivatiseerd zou worden naar het bestaande Amerikaanse model. Wat gebeurt dan met iemand die door ziekte of ongeval niet meer kan werken en, net zoals de Mongolen, geen ziekteverzekering kan veroorloven of niet toegelaten wordt door allerlei kleine lettertjes. Waar zou hij die $30.000 vandaan toveren?

Advertenties




Nieuwe wegen

6 10 2010

Zdrastvujte,

Een nieuwe update, nieuwe verrassingen, nieuwe wegen. Na onze Russische moeilijkheden in Ulaanbaatar bieden we jullie deze keer wederom een episode vol administratieve leukigheden vanuit Kiev, veruit Oekraines meest gezellige en cosmopolitische stad.

Eerst sluiten we onze tiendaagse door de Russische federatie echter af. In stijl, met een fantastisch orgelpunt: Volgograd, het voormalige Stalingrad, waar het Duitse leger tot stand werd gebracht in WOII…
Laat op de avond rolt Rosie de miljoenenstad binnen, het verkeer is er luw en links voor ons duikt na enkele kilometers plots een grote schaduw op, Mamaev Kurgan, de heuvel waar zovele duizenden gesneuveld zijn tijdens de slag. Tim parkeert de auto en we wandelen het park in voor een nachtelijk bezoekje. De sfeer is wat mysterieus, zo laat op de donkere paadjes. We bereiken het fel verlichte standbeeld van het Moederland dat de Russen aanspoort de wapens op te nemen en te strijden voor haar behoud. Zo’n 80 meter hoog steekt ze uit boven het landschap, een gigantische betonnen sculptuur temidden van een versgemaaid stukje groen gras, zwaard in de lucht, enkel gehuld in een fijn wapperend kleedje. We zigzaggen naar beneden en bereiken een paviljoen met een eeuwige vlam, omhooggehouden door een arm die uit de grond steekt, als een reus uit zijn graf. De muren zijn bezet met amberkleurig mozaiek, de namen van gesneuvelde soldaten zijn af te lezen van de glitterende wand. Een spiraal leidt naar een ondergrondse gang en plots staan we weer buiten, uitkijkend over een grote rechthoekige vijver. Daar zijn nog wat standbeelden en gravures langs geplaatst; verder de heuvel af komen we nog een heroisch standbeeld tegen van een strijdende soldaat, borstkas ontbloot, machinegeweer in de hand, nog meer sculpturen, tot we het einde bereiken, de voet van de heuvel.
Het wordt laat en de laatste mensen verlaten het park. Ook wij klimmen terug omhoog en kruipen na een lange dag in de auto.

We bezoeken het memorial-complex nog eens, deze keer vroeg in de ochtend. De lange ritten en snelle tijdstransformaties maken ons vreemd genoeg vroege vogels, en om 7u klimmen we al weer naar het indrukwekkende standbeeld, prachtig verlicht door de vroege zon, onder een donkerblauwe hemel. De vloeren worden geveegd en de grafstenen mooi verzorgd. Het zou een oorlogsbegraafplaats in de Westhoek kunnen zijn, maar de Russen hebben een andere manier om met oorlog en de gevolgen van oorlog om te gaan. Voor hen is het een overwinning. Ik kan mij niet herinneren ooit een afbeelding te hebben gezien van een strijdende soldaat in Ieper en omstreken, laat staan een standbeeld zo groot als de IJzertoren, dat een zwaard vooruit in de lucht steekt. De sfeer in het paviljoen met de eeuwige vlam is veel gematigder. Het is een zeer mooi gebouwtje, met een oculus in het dak dat enkele centimeters omhoog geheven is, zodat de medaillons aan de zijkant natuurlijk verlicht worden.
We rijden naar het centrum en drinken een koffietje. We wandelen langs de kade en werpen een blik over de brede Volga. Daarna is het tijd voor nog wat meer oorlogsverleden. Het Museum van de slag bij Stalingrad ziet er uit als een witgeverfde koeltoren. het staat vlak naast een oude graan-opslagplaats, de enige ruine die nog overblijft na WOII. Rondom staan tanks en gevechtsvliegtuigen opgesteld, waaronder een Spitfire met communistenster. het museum zelf is niet zo speciaal: attributen van soldaten, brilletjes van velddokters, vazen en houtsnedes, bureaulampen medailles en briefmessen; geen uitleg in het engels natuurlijk, enkel russische opschriften. Bovenaan is er een 360-graden schilderij gemaakt van de oorlogssituatie op de top van Mamaev Kurgan. Wel eens interessant, maar niet zo indrukwekkend als gehoopt; we zijn waarschijnlijk een beetje te veel verwend met ‘In Flanders Fields’.
Na een laatste wandeling en een snelle maaltijd zeten we de laatste etappe van onze transit in, nog 450km naar de grens. We komen aan rond 00.30u en zetten de chronometer stil: in 9 dagen, waarvan we er 7,5 gereden hebben – in totaal 103 uur – legden we 6810km af. Dit betekent dat we aan een gemiddelde snelheid van 66,1km/u hebben gereden. Niet slecht, lijkt het ons. Ook bij het oversteken van de grens breken we records: 20 minuten om rusland uit te rijden, 50 minuten om Oekraine binnen te rijden. We moeten wat meer grenzen oversteken bij nachte denken we zo.

Ons volgende doel is Kiev. We willen ons visum voor rusland zo snel mogelijk aanvragen, want blijkbaar duurt dat 10 dagen. We hebben onze plannen wat veranderd. We rijden rechtstreeks naar Kiev en vandaaruit doen we een toer met de trein, dat is gemakkelijker en goedkoper en dan pikken we ons visum 10 dagen later gewoon weer op vooraleer we Rusland weer binnenrijden.
Op naar Kiev dus, 900km van de grens, via…de E40! Een dagje rijden leidt ons via de vertrouwde verkeersader naar de hoofdstad, soms via tweevaks-delen met ruw oppervlak, naar het einde toe in volle glorie, via een prachtige, gladde zesvaksbaan, met een hypermoderne kabelbrug over de Dnipro naar het centrum. De sovjet-logica is er niet langer van toepassing, we rijden weer een westerse grootstad binnen met zijn meer complexe, organische opbouw. We voelen ons weer een stap dichter bij ons thuis, en parkeren ons huis naast het barokke operagebouw.

Een dagje administratie: we trekken onze geklede jas en kamelen/yak-sjaal aan en gaan op pad. eerst moeten we internet vinden, om onze LOI af te drukken. De internet-plaatsen uit onze gids bestaan niet meer en het duurt een klein uurtje (voornamelijk heen- en weergeloop over de grote Boulevard Krechynatyk) vooraleer we Oscar’s internetclub vinden. Eerste tegenslag: de mensen van waytorussia.com hebben ons gemaild dat we eerst even moeten controleren of we wel degelijk een visum kunnen krijgen in Kiev. Hup, de metro in, naar het consulaat. We wachten een dik anderhalf uur voor de deur. We worden naar de consul gewezen en die vertelt ons dat we geen visum kunnen krijgen hier. Lap. Belgie staat op een lijst met een veertig-tal landen die enkel een russisch visum kunnen krijgen in hun eigen land. Geen touristenvisum, geen transit, niks. Probleem. Les geleerd: als je naar Rusland wil gaan, zorg dat alle visum-zaken thuis al geregeld zijn.
We kunnen naar Wit-Rusland, bedenken we als we weer op straat staan. Zo naar het noorden, door de Baltische staten, waar we met Pieter afspreken, en met de boot naar Finland.
We duiken de konijnenpijp in en rijden terug naar het centrum. De ambassade van Wit-Rusland is nog niet open dus schakelen we over op terassjes-modus. Geen beter manier om gedachten op orde te stellen als met een dubbele espresso of amerikano onder de neus, met zicht op een drukbewandelde hoofdstraat. We wegen de mogelijkheden af en keren terug naar de ambassade. Een grijze man wijst ons naar de overkant van de straat, een klein bureautje in een donkere steeg. Ziet er louche uit, maar het blijkt ok te zijn. Een man in een klein kamertje vertelt ons dat als we kennissen hebben in Wit-Rusland, het geen probleem is om een visum aan te vragen. Terug naar Oscar dus om Frederick eens op te bellen (mijn neef, getrouwd met Maryna, wiens familie uit Wit-Rusland komt). We verzamelen snel alle gegevens – nog eens merci Frederick en Maryna! – en keren terug naar het consulaat, net op tijd om onze aanvraag in te dienen.
We vieren de nieuwe wegen met een pint in de ‘Shalena Mama’, voor we Oscar’s duistere hol voor de derde maal inkruipen om onze mails en telefoontjes na 10 dagen rushen even bij te werken. We sluiten de dag af in de gezellige ArtClub44, met een jazz-optredentje en een frisse Стелла Артуа.

Een dagje sight-seeing: we starten met een koffietje in een van de vele koffiehuizen en beginnen aan onze tour. Een marktgebouw, een half dozijn kerken – telkens met ajuinen op de torens en gouden koepels tussenin, een grote iconostasis die de voledige ruimte doorbreekt – een huis met neushoorns en kikkers op de dakrand, een goot plein met fonteinen, een leuk krullend straatje met souvenir-standjes,… We eten in het Oekraiens equivalent van ‘de brug’ en krijgen bericht van Olga – een kennis van Pieter – dat ze over een half uurtje in het station zal zijn. Terug de metro in en naar het station, dus. Samen met Olga kopen we onze treinticketten voor de volgende dag. Ze zegt ons dat de auto parkeren achter het station geen probleem zou mogen zijn, dat er in Kiev normaalgezien geen auto’s gestolen worden, en zelfs zelden gepickpocket wordt.
We sluiten de avond af in de Baraban, waar we een kort gesprek hebben met enkele franse journalisten die verslag uitbrengen over Kyrgizie. Interessant om hun verhaal eens te horen.

Oekraine is misschien wel het meest bekend omwille van de kernramp in Chernobyl. Nadat we de auto hebben verzet gaan we dus naar het museum over de ramp. Met een audioguide lopen we rond in het naar slechte gewoonte overvolle museum (opnieuw, brilletjes, pijpen, verrekijkers, kindertekeningen, vlaggen, paspoorten, …). Leuke installaties, zoals een maquette van de reactor en een diorama met de illustratie van de ramp, worden overspoeld door een berg aan nutteloze en pathetische (kunstwerk met iconostasis uit verlaten kerk) informatie en we komen ietwat overdonderd weer terug buiten.
In de namiddag bezoeken we een klooster, waar enkele grotten met mummies zouden moeten zijn. We vinden de grotten niet en moeten onszelf tevreden stellen met een repeterend mannenkoor in een mooie kerk. Donkere wolken komen aanzetten, maar we willen nog een standbeeld zien. Nog eens een afbeelding van het Moederland, deze keer in titanium. Minder indrukwekkend als het beeld in Volgograd, helaas, en wanneer het begint te druppelen haasten we ons terug naar het dichtstbijzijnde cafeetje.
We zorgen dat de auto goed gesloten is, dat we niks kostbaar achterlaten en dat ze er vuil genoeg uitziet om elke potentiele dief af te schrikken. Daarna springen we op de trein, richting Odessa, benieuwd naar wat deze nieuwe manier van reizen ons te bieden zal hebben.
Olga komt niet opdagen, en onze telefoon werkt niet meer (ze had een examen voor een doctoraat horen we enkele dagen later). Haar plaats wordt ingenomen door een vrolijk besnorde truckchauffeur die ons een flesje bier aanbiedt. Algauw ligt hij te ronken en rollen ook wij ons bed uit. Iets wat we met Rosie niet zomaar kunnen doen, rijden en slapen tegelijkertijd.

De vrouw verantwoordelijk voor onze wagon wekt ons een uur voor de trein het station bereikt. We drinken een theetje en voor we het goed en wel beseffen rijden we Odessa binnen. Onze verwachtingen zijn hoog gespannen. ‘Subtropisch microklimaat’ lezen we in de Lonely Planet, ‘mooie vrouwen’ horen we van onze mannelijke collega-reizigers. De legendarische Potemkin-trappen liggen op ons te wachten, en wie anders dan Philippe, die we voor het eerst ontmoetten in Murghab, is er om ons te ontvangen. We checken in in de Babushka Grand hostel, gerund door een Amerikaanse inwijkelijng, John en zijn Oekraiense vriendin Marsha. Philippe begroet ons warm, en we praten wat bij over een koffie in de leuke herberg.
We gaan op stap in de stad en zijn ietwat ontgoocheld. Het subtropisch klimaat blijft uit, de vrouwen kleden zich ernaar, en de Potemkin-trappen blijken van nergens naar nergens te leiden. Jammer, dat hadden we toch niet echt verwacht. Terrasjes-modus dan maar in het leuke Kompot-cafe. Algauw keren we terug naar de herberg waar er kip-curry bereidt wordt.
Nog maar een troef van Odessa hebben we nog niet beproefd, het nachtleven. Met een bende uit de herberg gaan we naar ‘Schaef’, een alternatieve club die net die avond zijn deuren opent. Onze verwachtingen worden deze keer wel ingelost, en we blijven op tot de vroege ochtend.
Voor het eerst sinds lange tijd kunnen we lang slapen. Zeer lang. Ergens na de middag kruipen we uit ons bed en leren van Philippe en de andere half-residentiele herberg-gasten hun levensstijl: hangen. We lezen wat, liggen in de zetel, babbelen over onbelangrijke zaken, eten een pizza en gaan uiteindelijk gewoon vroeg gaan slapen.
De volgende dag is van hetzelfde kaliber. We brengen de dag door in de herberg, tot we onze trein moeten halen naar Lviv, opnieuw een nachttrein.

De volgende ochtend is de hemel weer perfect helder. Vol goede moed gaan we op pad in Lviv. Een gezellig stadje, met mooie kerkjes, een leuk hoofdplein met een stadhuis, enkele kleine en wederom volgestouwde musea. We bezoeken het apothekers-museum, achterin een echte apothekerij, en vinden er weegschalen, flesjes met vreemde poeders, gekke instrumenten om pillen te vermalen etc. We kopen enkele boeken in een grote boekenwinkel en gaan op zoek naar een leuk cafeetje. In een victoriaans aandoende bakkerij eten we wat taart en spreken met enkele Nederlanders die tot onze grote ontsteltenis met Whizz-air naar hier gekomen zijn. Niet eerder voelden we ons dichter bij huis.
na heel wat koffiedrinken-en-boekjeslezen in verschillende etablissementen in de stad keren we terug naar het station, waar we op onze laatste trein van deze korte excursie springen.

Sinds gisteren zijn we terug in Kiev. We waren opgelucht onze trouwe Rosie in goede staat terug te vinden. We hebben onze visa opgepikt en zijn dan nog maar een pint gaan drinken om dat te vieren. We hebben onze zoektocht naar een Kachapuri Acharuli volbracht door gisteren in een Georgisch restaurant te gaan eten. Omdat het ons de eerste maal zo goed bevallen was zijn we ook nog eens naar ArtClub44 geweest.

Straks starten we onze Rosie weer en gaan we naar de grens. We rijden morgen Wit-Rusland binnen, waar we een afspraak hebben met de familie van Maryna. We hebben er vertrouwen in dat deze nieuwe weg ons ook heel wat interessants te bieden heeft.





Ulaanbaatar [Nieuwsblad]

27 09 2010

UB, Ulaanbaatar, de hoofdstad van Mongolië. Hier zijn we dan, het uiterste punt van onze reis, in een stad zonder grenzen, een hete, luide, grijze vlek in een land van prachtige leegte.

In het centrum van die vreemde oase zitten we aan ons tafeltje. Maurice’s French Bakery heet het kleine cafeetje, weggestoken in een zijstraat van de drukke hoofdas, Peace Avenue. Diepe beats en dreigende oscillatoren klinken uit de luidsprekers, de laatste dubstep-hit uit Londen. We smullen van een krokant bruingebakken wafel met chocoladesaus en slurpen zuinig aan een donkere italiaanse espresso. Zo brengen we hier onze tijd door, nu eens in de bakkerij van Maurice, een andere keer in Cafe Amsterdam of in de Grand Khaan Irish Pub. Tussen het drinken van een Oolong thee en het draadloos internetten door ontmoeten we talloze collega-reizigers – Zwitsers, Finnen, Duitsers, Spanjaarden, … – die net als ons van die gezellige cafes met hun warme houten interieur en de geur van gebrande koffiebonen hun tijdelijke woonst gemaakt hebben.

Met wat moeite trekken we ons terug uit dat comfortabele nest. We eten snel iets in een van de vele internationale restaurantjes en begeven ons daarna naar Liberty Square. We wandelen het grote Tengis cinemacomplex binnen, langs het hippe bioscoop-cafe, naar een in popcorngeur badende blauw-verlichte hal. We kopen een ticket voor de laatste film van Christopher Nolan, de nieuwste blockbuster uit Hollywood. Leonardo DiCaprio en Ellen Paige spreken er voor het comfort van de buitenlanders in hun eigen taal en worden voor de verandering eens in het mongools ondertiteld. We zoeken onze genummerde plaatsen op en zakken lang onderuit in de zachte donkere zetels…

Druk speculerend over enkele moeilijke plot-elementen dalen we de brede trappen van het bioscoopcomplex af. Het is donker, en de droge hitte van de dag heeft plaats gemaakt voor een verrassende continentale kilte. We steken onze arm uit en een taxi stopt; op naar Zorught Yaoon. Snel zijn we het centrum uit, slechts enkele verlichte lanen temidden van de donkere stadsmassa. De straten worden smaller en degraderen, grote gebouwen maken plaats voor kleine winkeltjes, omheiningen gemaakt van houten planken, autokarkassen en versleten banden, en daartussen honderden en honderden gers – de traditionele mongoolse tent.

We rijden enkele kilometers, heuvel op en heuvel af, we passeren een kerkhof – een grote donkere vlek op de heuvel. Uiteindelijk gebaren we onze chauffeur te stoppen. We wandelen enkele steegjes in, hobbelige zandwegen tussen de geimproviseerde omheiningen door. Een hond blaft en anderen volgen zijn voorbeeld. Grommende schaduwen bewegen in de donkere hoekjes, de blaffende honden komen dichterbij en we versnellen onze stap. We bereiken de poort van onze gastvrouw, sluiten hem opgelucht achter ons en gaan onze ger binnen, waar een veilig warm bed op ons wacht.

De volgende ochtend slapen we uit. Door het half-cirkelvormige gat in het dak van de tent komt de zon gezellig binnengestraald. We moeten wat werken vandaag. De auto heeft na de stoffige mongoolse wegen eens een poetsbeurt nodig. De kinderen zijn alleen thuis en helpen wat met het kuiswerk. De avond komt snel en ze nemen ons mee naar een heuveltop nabij het huis. De steegjes zijn helemaal zo gevaarlijk niet als ze ’s nachts lijken. We kijken er naar de ondergaande zon die achter de witgevlekte horizon wegzakt. Ze tonen ons de ovoo op de top. Een hoop stenen met enkele blauwe linten, een soort monument of een schrijn, voor geluk en welvaart – net zoals je ze op het platteland ziet, op de heuvels en de passen. We keren terug naar het huis van onze gastvrouw. De oudste dochter bereidt voor ons een heerlijke maaltijd, buuz, vlees en groentjes verpakt in kleine deegzakjes. We eten alles op, ook al zijn de porties wat te groot, want zo goed hebben we ze nog niet gehad in Mongoli?. We spelen nog wat met de kleine kinderen tot ze naar bed moeten en besluiten uiteindelijk ook zelf onder de wol te kruipen.

Twee dagen in dezelfde stad en toch zijn het twee verschillende werelden. In het hart van de grootstad heersen de zakenmannen en de toeristen, de grote bazen van de mijnen en de grote bedrijven. Het is een artificiele omgeving, het lijkt on-mongools. De straten zijn gevuld met bioscopen, cafes en moderne winkelcentra – elementen van de westerse grootstad, en in die gebouwen kom je ook haast meer buitenlanders tegen als mongolen. Een man en vrouw gekleed in de traditionele del – een lange, fijn bewerkte en warme jas – vallen wat uit de toon tussen die blinkende gebouwen en het chaotische verkeer. Een vreemd archaisch element in een omgeving die – met uitzondering van een tweetal oude kloosters en enkele musea – volledig uit moderne gebouwen is opgetrokken.

Het ger-district daarentegen is Mongoli? in hart en ziel, een collage ad infinitum van de mongoolse kleinstedelijke leefwijze. Een omheind stukje grond met daarbinnen een ger, een bakstenen huis en een toilet. Water wordt gehaald bij een centraal gebouwtje in de buurt, en tussen de hizen door verschijnt af en toe een klein winkeltje. De paarden hebben er weliswaar plaats geruimd voor een auto, en met het westerse centrum vlakbij kunnen de inwoners genieten van heel wat extra luxe.

Ulaanbaatar is geen klassieke grootstad, niet zozeer het palimpsest dat we zoeken in onze eigen grootsteden, maar die gelaagdheid in geschiedenis wordt ruimschoots gecompenseerd door een eigen vorm van compexiteit – een klein beetje westers gevoel, waarin je je als westerling kan wentelen, met een flinke dosis mongoolse impulsiviteit en improvisatie; het resultaat is een grootstad pur sang, zoals Brussel of Belgrado, met een eigen karakter, oosters, mongools; vreemd en angstaanjaagend op sommige momenten, toch comfortabel en bijzonder gastvrij.





And back again

26 09 2010

Privet iedereen!

Deze maal is het klad van deze blog geschreven ergens tussen Samara en Volgograd, met zo’n 5500km Russisch asfalt in de wielen. Op papier ditmaal, want onze 10 jaar oude pc heeft uiteindelijk de geest gegeven. Een beetоe prutsen op internetcafés met hun qwerty-cyrillische toetsenborden dan maar de komende weken… Niet langer tijdens het rijden of op gezellige terrasjes, maar in donkere ruimtes met roepende schoolkinderen en duistere types die vreemde datingssites bekijken.

14 september zijn wer er dan eindelijk, na reeds 14 dagen in mijn geval en voor Wim een grote week, in geslaagd UB als toeristen te gaan bezichtigen. Het Ganda klooster, het museum van schone kunsten, het natuurhistorisch museum en het kloostermuseum, mooi afgeklopt op een zestal uur bezoektijd. De ‘standaard’-bezoekdag uiteindelijk mooi afgesloten met een koffietje in mijn stamcafé, Café Amsterdam, en nog maar eens naar de film Inception gaan kijken.

De volgende dag werd er één die ons verblijf van twee weken moest afsluiten met vele praktische zaken. Foto’s afdrukken, DVD’s branden, het thuisfront inlichten via Skype en grote inkopen doen op de Naraan Tuul. De beroemde en beruchte zwarte markt van UB. Aankopen die varieerden van een compleet nieuwe klerenset voor de komende steden, snoepen en andere zeer voedzame waren (zoals acht kilogram koeken voor zo’n vijf euro waarvan de laatste net verorberd zijn) en automateriaal tot een nieuwe theeset voor Rosie.
De avond sloten we deze keer af met een laatste avondmaal met Jo en An die hun toer richting Vladivostok verder zouden zetten en een laatste avonddrink met Muugii en Werner die naar België terugkeerden.

De volgende dag stonde er nog een afscheid op het programma. Dat van Haivii en haar gezin. Onze perfecte hosts voor de twee weken UB.
En daarna moest het er uiteindelijk van komen. Onze laatste honderd kilometer richting het oosten. Richting het verste punt van de reis. Het uiterste punt oostwaarts waar we ooit in ons leven kwamen. De plaats waar alles ooit begon voor de grootste wereldveroveraar uit de geschiedenis van de mensheid, Chenggis Khaan. Het bezoek aan het torenhoge standbeeld was een speciale ervaring. Niet enkel omwille van het maffe architecturale dat ermee verbonden is, maar vooral omdat het voor ons een eindpunt inleidde en evenzeer een beginpunt van een ongelooflijk snelle toch naar het westen. In minder dan twee weken zouden we vanaf dan de landen van de voorbije vijf maanden ‘over’-rijden. Een goeie 6000km in vogelvlucht richting Europa. Rijden zou nu voor het eerst zo’n groot deel van ons reisleven gaan uitmaken.
Te beginnen met 300km vertrouwde weg diezelfde dag en een meer dan vertrouwd anderhalf uur file in Ulaanbaatar waar we -oprechte waarheid- van genoten hebben.

Na een laatste nacht op een willekeurig uitgekozen heuvelflank in Mongolië trokken we naar het noordelijke grensstadje Altanbulag, waar we de nacht vlakbij de grens zouden doorbrengen om onze tien dagen Rusland optimaal te benutten. Onderweg nog een kort bezoekje aan een pijl en boog werkplaats waar ze de bogen nog volgens een eeuwenoude techniek met hout, Ibexhoorn en paardenpezen maken. Een kort bezoekje dat enkele dorpsbewoners allicht gedurende het ganse weekend herinnerd hebben terwijl ze hun favoriete TV-programma moesten missen door een stroompanne. Rosie was namelijk een beetje te hoog, of beter, de elektriciteitsleidingen een beetje te laag! Met ons schoorsteentje trokken we twee kabels tegen elkaar, wat vuurwerk opleverde. Een vrouwtje kwam meteen naar buiten gerend en was niet zo gelukkig, maar het volgende moment gebaarde een voorbijganger reeds dat het wel in orde zou komen en wij reden dan maar rustig door en wisten van niets!

De volgende ochtend begon de grote queeste dan echt met één van de leukste grensovergangen ter wereld. Om half acht, een halfuur voor het openen van de grens, stonden we reeds in de file om binnen te geraken. We kregen tweemaal te horen dat we in de verkeerde rij stonden en konden gadeslaan hoe de ‘poortwachters’ vriendelijke handen, gevuld met wat drinkgeld, geschud kregen van mensen die graag wat sneller over de grens wilden.
Als we uiteindelijk na een tweetal uur door de eerste poort geraakten zou een wachtrij van zeker nog eens twee uur volgen, maar de rij stond vol en we mochten direct doorrijden. Eureka! Wat volgde waren de normale grensprocedures en na een totaal van 4,5 uur waren we de Russische federatie binnen en kon de race beginnen.
Over mooie bergen en langs het prachtige Baikalmeer (waar we uiteraard niet zoveel van zagen…). Net voor het slapengaan ontdekten we jammergenoeg dat het noodlot opnieuw toegeslagen had… De bovenste bladveer links achteraan gebroken, in combinatie met nog 6000km in tien dagen voor de boeg: niet de beste situatie. Alles dan maar samengehangen met twee spanriemen en onderweg hopen op een snelle vervanging. Maar zoals we verwacht hadden waren de gepaste veren niet zomaar beschikbaar en een veer laten maken of een stuk bestellen past niet echt in het rijschema van een Russische transitter, dus we hopen momenteel nog steeds dat alles mooi blijft samenhangen tot we de grens over zijn.

De volgende ochtend volgden we verder het traject van de gigantische Transsiberische spoorweg richting Irkutsk. We werden verrast door wag lichte sneeuwval, zoals dat in Siberië hoort, maar het was van de smeltende soort, dus vertragingen liepen we hierdoor alvast niet op. In Irkutsk wandelden we wat rond in het centrum, tankten we wat Roebel, aten we snel iets en bezochten we de belangrijkste bezienswaardigheden. We wandelden nog een uurtje rond in een autocentrum, onverhoopt op zoek naar een vervangstuk, en vertrokken opnieuw ‘on the road’ voor een 19 uur non-stop rijsessie naar Krasnoyarsk.

Na wat extra sneeuw ’s nachts waarvan Rosie en Wim (die lag te slapen) geen last ondervonden, arriveerden we in deze stad. We bezochten Krasnoyarsk op zeer gelijkaardige wijze. Tussen 10u en 14u koffie en pannenkoeken in de hipste tent, de bezienswaardigheden bezoeken, onszelf een SIM-kaart aanschaffen (+7 913 0420121), opnieuw zoeken naar onvindbare internetcafés en weg. Op naar een volgende 810km afwisselend achter het stuur zitten tot aan Novosibirsk.

Na een nachtje van 6 uren op onze standaardparkeerplek in de wijk achter het theater rustig te slapen, wachtte Olga ons op. We ontmoetten haar eerder in Almaty en ze was zo vrij om samen met vier medestudentes architectuur een dagje vrij van lessen te nemen om ons rond te leiden. De tocht ging van hippe cafés, langs historische gebouwen, de architectuur faculteit en grafiti’s naar een kortfilmfestivalvertoning in de cinema (waar zelfs de Vlaamse kortfilm Fait d’hiver in de selectie zat).

De avond vroeg afgesloten en vroeg opstaan stonden daarna op het programma, want een groots project was wat volgen zou. De 24u van Francochamps verbleekt bij onze 28u en 1800km van Novosibirsk, over Omsk, naar Chelyabinsk. Een rit die opnieuw opgevrolijkt werd met ons nieuwe dieet: kilo’s zandkoeken, voedzame noedels en liters thee.

In de vroege ochtend van de 23ste zagen we ze dan uiteindelijk, de restanten van de Russische bosbranden. Lage mist hing al de hele nacht over de verlaten wegen, maar plots begon die mist een beetje verbrand te ruiken en wanneer de zon langszaam begon door te priemen bleken we door hectaren en hectaren van smeulende stompjes van stammen te rijden. Blijkbaar waren er verder op de weg nog brandhaarden een het woeden, want het leger stuurde ons een andere weg op. Een kleine ommetoer van 100km, wat maakt het uit op zo’n tocht…
Chelyabinsk bezoeken was van hetzelfde laken een broek. Ditmaal besloten we wel om geen superrit meer te plannen diezelfde dag. We zaten reeds veilig voor op schema en zouden het bij 150km houden.

De volgende dag opnieuw een boeiende 800km naar de Volga, waar Samara een eerste stop was. De stad opnieuw op de zelfde ongelooflijk inventieve wijze bezocht…

Vandaag dan een laatste lange rit naar Volgograd. De stad waarin we eens een volledige dag kunnen vertoeven. Hoera voor de afwisseling! Een beeldverslag van Stalingrad, waar de bloedigste veldslag aller tijden plaatsvond zal in elk geval voor de volgende keer zijn.

Onze relatie met de Russische weg kent zo z’n momenten. Soms zijdezacht fluisterasfalt, maar in het andere extreem honderden kilometers werken afgewisseld met herhaaldelijk opgelapte lappendekens met de nodige putten. Af en toe goeie ringwegen rond de steden, maar meestal verwarrende bewegwijzering die alle uithoeken van grijze, met appartementsblokken volgestouwde Sovjetgridsteden en -gehuchten toont waardoor we wat tijd verliezen. Maar wat ons het meest beviel, waren de ‘beruchte’ mannetjes met de pet. We zijn op 5500km slechts vijfmaal tegengehouden voor routine documentencontrole en eentje durfde het aan naar een ‘soevenier’ te vragen. We lachten eens vriendelijk naar de jonge agent en maakten hem duidelijk waar we reeds geweest waren en dat onze ‘soeveniers uit België’ dus al lang uitgedeeld waren. Een vriendelijke groet en een glimlach terug betekende, dat hij het begreep en hij zou wel bij iemand anders proberen een centje bij te verdienen. Een tweede maal, vandaag, stopte een agent ons omdat we te kort gedraaid hadden, maar na een beetje ‘Centraal Aziatisch’ volhouden mochten we rustig doorrijden.
Eén ding kunnen de russen echter niet: rekenen… We merkten het reeds in verschillende bars, maar het meest frappante voorbeeld is de bewegwijzering, waar over een afstand van 100m een volgende stad gerust 30km verder of dichter aangegeven kan zijn.

Het vreemdst aan de ervaring van deze transit is het tijdsbesef. Door de vele uren rijden vervaagd de grip op de tijd nogal en daarbij komt nog eens dat we door de tijdzones vliegen. In zeven dagen van GMT+10 naar GMT+3 is, zelfs met de auto, een behoorlijke ‘jetlag’. Plots verschillen telefoontjes met thuis slechts één uur terwijl we vorige week nog rekening moesten houden met een 7u tijdsverschil.
Een leuk voordeel hieraan is wel dat elke dag tot nu toe uit 25u bestaat en dat we hierdoor wat meer ‘bezoektijd’ over hadden. Een kleine berekening voor vertrek leverde ons het volgende resultaat: ongeveer 6000km rijden aan een gemiddelde snelheid van 60km/u betekent 100u of 10u per dag rijden. Wat betekent 6u per dag over als we 8u per nacht slapen… Mooie theorie was het, maar het transitgevoel blijft sterk aanwezig en het zal deugd doen om even te relaxen in Oekraïne, waar we overmorgen reeds binnenrijden en waar we een oude bekende gaan opzoeken.

Groetjes!

Wim en Tim





Back to basics [Nieuwsblad]

22 09 2010

Geen asfalt, ongerepte berglandschappen, eindeloze steppes en nomadische schapen- en kamelenherders die in ‘gers’ leven. De slogan op onze toeristische kaart vertelt tot nu toe geen leugens: “Mongolia is any tourist’s dream, the only left unspoiled tourist destination in the world”. Maar wat dat concreet betekent voor twee jonge reizigers met hun eigen transport, dat nota bene geen verhoogde Landcruiser of russische superjeep is, maar een 27 jaar oude, 3,5 ton wegende, volkswagen LT, konden we niet voorpellen. Na één week kunnen we met opgeheven hoofd zeggen: ‘So far, so good’, maar uiteraard niet zonder de nodige strubbelingen.

Tijdens het herstellen van enkele bladveren die het begeven hadden op de ‘hoofdweg’ legde onze vriendelijke garagist in Khovd ons uit dat niet alle wegen op de kaart overeenkomen met hun kwaliteit en hij toonde ons een traject over secundaire en tertiaire wegen die niet eens op de kaart staan. Een kortere en betere weg! Daar zouden we dus voor gaan.

Les 1: Nooit vertrouwen op de kwaliteit van de wegen zoals aangegeven op kaart en bij zoveel mogelijk mensen informeren naar de kwaliteit van de zandwegen.

Vertrouwend op onze drie wegenkaarten, coördinaten van verschillende nederzettingen onderweg, onze gps met wereldkaart en tweemaal zoveel diezel en water als noodzakelijk trekken we op pad over een perfecte asfaltweg. Na 50km belanden we op een grindweg en enkele kilometers verder opnieuw op de vertrouwde ‘tracks’. Meer dan acht sporen die allerlei verschillende richtingen kiezen: over steppes, langs verschillende zijden van bergen en rond drassige gebieden. Het is natte vingerwerk en rond de middag kunnen we toch stellen dat we al een dertigtal kilometer onefficient rondgezigzagd hebben.
Cruisen over groene en gele steppes aan een wonderbaarlijke 60km/h en een korte stop in het enige dorp over een traject van 400km is wat volgt die dag. Steppe wordt langzaamaan woestijn Slapen doen we in het midden van de woestijnsteppe, 100m van de hoofdweg. Niks rond ons. Of toch. In de verte zien we de silhouetten van een kudde kamelen. De volgende dag gebruiken we de enige rivier op ons traject om water op te slaan en tanken we bij een eenzaam tankstation op een verlaten kruispunt.

Les 2: Altijd elke mogelijkheid aangrijpen om alle voorraden maximaal aan te vullen.

De steppe wordt langzaamaan meer woestijn en in de legende van de kaart ontdekken we dat we langs duinen zullen scheuren. Waar we niet honderd procent bij stilgestaan hadden is dat duinen niet zomaar op één plaats gelocaliseerd zijn en dat kleine zandophopingen er al eens voor kunnen zorgen dat het gehoopte scheuren plaats moet maken voor stilstand.

Les 3: Duinen ‘bewegen’ en regio’s errond zijn dus niet aan te raden zonder vierwielaandrijving.

Het betere duw en trekwerk in combinatie met wat houten planken en stenen die een voorganger reeds gebruikt had leveren nauwelijks resultaat. Altijd leuk op één van de tien tracks, onzichtbaar vanaf de andere sporen in een zanderige steppe zonder dorpen in de omtrek! Maar Mongolië zou Mongolië niet zijn als er niet plots iemand te paard aan de horizon verschijnt die onmiddelijk te hulp schiet en ons leert hoe uit duinzand te geraken.

Les 4: Je kan altijd rekenen op de hulp van eender wie, als er tenminste iemand in de buurt is in het land met drie inwoners per m²…

Men vernietigt wat van de kare begroeiing door struikjes uit te trekken en ze te ‘planten’achter de wielen. Herhaal dit tot de wagen voldoende gecompacteerde grond onder de wielen heeft en blijf gas geven tot je zeker bent van echt vaste ondergrond.

Les 5: Gebruik struikjes om uit duinzand te geraken

Drie kilometer verder opnieuw vast. De herder snelt ons opnieuw te hulp en toont ons ditmaal hoe door zachtere delen te rijden. Terugschakelen naar tweede of eerste versnelling en de motor op z’n maximum laten bulderen.

Les 6: Schakel belachelijk laag en ‘push the pedal to the metal’ in zanderige situaties.

Ditmaal geraken we er uiteraard niet onderuit om op zijn uitnodiging in te gaan en melkthee te gaan drinken in zijn ger. Na een uurtje eindeloze gastvrijheid biedt onze gastheer aan ons de volgende dag 100km voor te rijden tussen de zachtere stukken weg door tot we aan een goeie track terecht zullen komen. Dit op voorwaarde dat we zijn vrouw verder mee zouden nemen naar de volgende stad die sowieso onze eindbestemming de volgende dag is. En of dat welkom is!

Les 7: Elke situatie is goed om de Mongoolse handigheid, gastvrijheid en hulpvaardigheid te ervaren.





Mongolia! Deel 2 (eerst Mongolia!!!!!!!)

13 09 2010

Deel2:

Twenty four-gewijs: The following takes place between Friday 27th and Tuesday 31st of August in various places in Mongolia. Afwisselend in normaal en cursief schrift vinden jullie de avonturen van Rosie, Sara en Wim én Andrea en Tim.

Samen met Sara zou ik de auto naar Ulaanbaatar rijden, nog zo’n 1000 km van Khatgal. We namen afscheid van Andrea en Tim in het ziekenhuis en gingen na een vermoeiende dag gaan slapen.
’s Ochtends vroeg hoorden we de helikopter toekomen en weer vertrekken. We kregen bericht van Tim dat ze goed vertrokken waren en dat het zicht vanuit de helikopter fantastisch was. Syrtamp, die had geholpen bij het instappen van de helikopter vertelde ons even later hetzelfde. Aangezien Sainbayar nog niet op onze terugkomst gerekend had, moest hij onze vering nog vervangen, dus namen we even de tijd om nog wat inkopen te doen en een douche te nemen. In de verte begonnen zich donkere wolken op te hopen en voor de eerste maal in Mongolië begon het te regenen. De herstellingen duurden wat langer dan verwacht en we besloten pas de dag erna te vertrekken. In de namiddag kwam onze gids ook toe in Khatgal – hij had de dag ervoor de paarden terug naar huis geleid. Samen met de ganse familie van Sainbayar, Syrtamp, de gids en zijn vrouw, dronken we een kop thee en kregen we eten. Daarna regelden we de financiën van de paardentrip en werd de vodkafles – die we als bedanking voor hun hulp aan de familie hadden geschonken – rondgegeven. Syrtamp stelde voor dat we die avond een bezoek aan de sjamaan zouden brengen, naar het schijnt één van de beste van Mongolië. Na nog een wandeling door het dorp en een goede maaltijd nam Syrtamp ons op sleeptouw. We moesten melk kopen en vodka; ook wat snoep of enkele koekjes, om aan de sjamaan te geven. Daarna pikten we nog een fransman op die ons zou vergezellen, Julien. Het werd laat. Voor we naar de sjamaan vertrokken opende Sainbayar nog een fles vodka waar we traditioneelsgewijs onze rechter ringvinger in doopten en de hemel, de aarde, de wind en het vuur mee zegenden. In het donkere, en in mist gehulde, dorp zochten we ons een weg naar het huis van de sjamaan. We namen er plaats in de zetel. Naast ons, in een bed opgekruld, probeerden enkele kinderen tevergeefs te slapen. Syrtamp vertaalde voor ons wat de sjamaan zei. We moesten een vraag stellen. ‘Ik wil meer weten over mijn toekomstige levenspartner’, vroeg ik. De sjamaan, gehurkt in het midden van de kleurrijk met linten gedecoreerde leefruimte, draaide zich om en plukte wat aan zijn mondharp. Hij keerde zich terug naar Syrtamp, die zei dat mijn toekomst er niet echt gunstig uitzag, maar dat de sjamaan tijdens zijn dans het lot zou proberen te doen keren. Ook de vragen van Julien en Sara werden niet echt positief onthaald. Syrtamp voegde zich bij ons in de zetel, en de vrouw van de sjamaan voerde enkele attributen aan: eerst een paar laarzen, daarna een lange cape en een masker, tot slot een grote trommel en een speciale drumstok. De sjamaan was getransformeerd van een gewone man tot een vreemde, trommelende, kleurrijke geest die schijnbaar in staat zou zijn onze toekomst te beïnvloeden! Hij trommelde in een monotoon ritme, en één voor één moesten we voor hem knielen. Hij bewoog de drum rond ons hoofd en porde ons met zijn ratelende stok. Hij smeet de stok in onze richting en wij moesten hem opvangen en teruggeven. Op hetzelfde moment zat zijn vrouw in de hoek op een krukje druk neer te pennen wat hij in zijn vreemde staat van bewustzijn allemaal aan het uitkramen was. Uiteindelijk verstilde het getrommel en kwam de dans op zijn einde. Zijn vrouw stond op en nam de attributen één voor één terug. Hij was weer een gewone man.
Na het ritueel gingen we terug naar huis. Syrtamp nam het papier met de notities op mee, en eenmaal terug bij de auto vertelde hij ons het resultaat: binnen de eerstkomende twee jaar zal ik de vrouw van mijn leven vinden, maar we zullen snel scheiden. Daarna zal ik opnieuw trouwen, maar het zal een liefdeloos huwelijk zijn. Ik krijg drie kinderen, waarvan er één niet van mij is (waarschijnlijk geadopteerd). Op een kleinere schaal zouden de komende twee dagen zeer ongunstig zijn en mocht ik geen geld uitgeven. Geen al te rooskleurige toekomst dus. Het was echter wel mogelijk die noodlottige toekomst aan te passen, door nog enkele objecten aan te schaffen bij de sjamaan. Sara haar vraag werd niet beantwoord, maar de sjamaan had wel gezegd dat ze ergens een heilige boom had gefotografeerd en daardoor de boomgeest had beledigd. Ook haar probleem kon opgelost worden door middel van de gezegende objecten van de sjamaan…

Na een slapeloze nacht, door het voorbereiden van wat komen zou en voornamelijk door het kermen van Andrea, bereidde ik met de verpleegster van dienst alles voor om Andrea naar de helikopter te dragen. Geen landingsplaats naast het hospitaal, dus met Syrtamp, Sainbayar en diens vrouw een veldbed met Andrea erop dragen naar het dorpsplein een kilometer verder. Rond 9u zaten we in de buik van een grote Russische transport legerhelicopter (MI 8) en vlogen we richting Ulaanbaatar. Na een vlucht van vier uur (en $23000, reisverzekeringen zijn geen overbodige luxe!) kwamen we rond de middag aan op de internationale luchthaven waar, dankzij de regelingen van de mensen van Active Adventure Tours Mongolia, een echte ziekenwagen op ons stond te wachten. De professionaliteit stelde Andrea en mezelf onmiddelijk gerust. Meteen standaardvragen in het engels, bakster, monitor, deftige stretchers. Wat volgde was een zeer snelle sightseeing per ambulance met sirene aan.
In het ziekenhuis, SOS Medica Mongolia UB, volgden verschillende onderzoeken en X-rays en ik volbracht mijn taak als regelaar van onkosten, met behulp van Chadr, Bagana en Gana van de tour-agency en communicator met de familie die moest beslissen waar operatie en nabehandeling uitgevoerd zouden worden. Data van operaties werden bij verschillende ziekenhuizen in UB en Milaan nagegaan en na veel wijzigingen in info bleek dat we Andrea zo snel mogelijk zouden overvliegen. Mijn avond bestond uit nog wat handwas doen en na een lange vermoeiende dag op mijn ziekenhuisbed in slaap vallen.

De volgende dag was de hemel opnieuw staalblauw en vertrokken we, met in de auto twee nieuwe passagiers, Markus en Veronika uit Zwitserland. We reden terug naar Mörön en bezochten er enkele zeer mooie ‘deerstones’, een soort sjamanistische gegraveerde grafstenen uit het bronzen tijdperk, die in het midden van een grasvlakte waren opgesteld. Daarna gingen we terug naar het oosten, richting UB, en richting betere wegen.
Markus vertelde dat we misschien beter een andere route zouden nemen als de hoofdweg, aangezien er minder corrigatie (zeer harde golvingen in de weg met zeer hoge frequentie, die een soort trillingen veroorzaken waarbij Rosie volledig uit elkaar trilt) optreedt op wegen waar minder verkeer komt.

Aangezien de beslissingen de volgende dag nogal laat konden gebeuren, door ondermeer het 7u tijdsverschil en de medische beslissingen over hoe Andrea transporteren, kon ik samen met Badral, een vertegenwoordiger van de Italiaanse consul, pas de zaterdag een ticket in Business-class boeken voor Andrea. De verpleegkundigen komen in de loop van de namiddag echter tot de conclusie dat Andrea niet alleen kan vliegen en dat er begeleiding meemoet. Een ticket kan niet meer aangekocht worden doordat bureaus op zaterdag om 14u sluiten en een geschikt persoon om mee te vliegen is moeilijk te vinden, want ik mocht het land niet uit omdat de auto in mijn paspoort genoteerd staat en iemand anders vinden blijkt niet eenvoudig omdat die een visum voor de Sjengen-zone nodig heeft en opnieuw in Mongolië binnen moet mogen. Na een lange zoektocht bood de manager van het ziekenhuis, Shirley Palmer, aan om met Andrea mee te vliegen omdat zij als enige met haar Amerikaans paspoort en werkvisum, makkelijk op en af kon en Andrea’s papa boekte haar retourticket (leve het uurverschil ditmaal!).

Nadat we gekampeerd hadden op enkele meters van de hoofdweg op een pas namen we een zuidelijke afslag, staken een rivier over via een vlot-brug en begaven ons op de ‘betere’ weg. De slechte stukken waren zeer slecht – in tweeën gespleten door de regen, met bulten en rotsen en bij momenten zeer steil – maar de goede stukken waren zeer goed. Eenmaal je aan 70km/uur door de grasvelden kan zoeven zonder dat de auto hopeloos door elkaar gerammeld wordt of je tegen elkaar moet schreeuwen, dan kan je over een goede weg spreken, ook al is het niet meer dan twee bruine lijnen in het gras. Na een goed stukje rijden stopten we bij een prachtig meertje voor een foto. We hadden al voldoende gereden om de volgende dag op tijd in Bulgan aan te komen, dus besloten we te stoppen, en genoten we van de zon die achter de bergen wegzakte en perfect gereflecteerd werd door het spiegelvlak van het meer.

Zondagmorgen! Koffiekoeken in België… die had ik mezelf beloofd. En na om 4u op te staan en Andrea en Shirley mee te volgen naar de luchthaven en terug te keren naar het ziekenhuis, vond ik in het centrum een café dat om 8u de deuren opende en croissants en espresso’s serveerde. De hemel na de hel. Café Amsterdam zou mijn basis worden om te bellen, een verslagje van de gebeurtenissen voor de verzekering op te stellen, wat blog te schrijven, een tocht door de Gobi te organiseren en vooral wat te tateren met de vele toeristen die me op het terras met WiFi kwamen vergezellen. ’s Avonds lekker gaan dineren met een Israeli die we in het westen van het land ontmoetten en plots telefoon van Muugie (een Mongoolse kennis uit België). Ze kwamen die avond terug van het platteland en ze kwamen mij in het centrum oppikken. In plaats van een ziekenhuisbed en TL-lampen, een nacht in een ger met een fantastische famaliesfeer, dat kwam perfect op het juiste moment! Een gezellige late avond in het huis van Haivii, een vriendin van Muugie die mij ontving zoals wij enkel met de dichtste vrienden en familie doen, was wat volgde en er kon eindelijk ook eens ‘e potje West-Vlams geklapt wordn’, want een andere kennis van Muugie, Werner, sliep naast mij in de ger, of beter, ik sliep naast hem aangezien hij bijna een local genoemd kan worden.

Eindelijk asfalt! Na nog eens 70 km dirttracks bereikten we de plaats waar het asfalt begon. Na een goede 1500km op zand, aarde en grind, door woestijn, steppe, duinen en valleien, kwamen we op een perfecte, nog maar net aangelegde weg, deel van de ‘millennium road’ die het westen van het land met de rest zal verbinden over enkele jaren (de oorsprong van de naam is niet helemaal duidelijk, maar gezien de hoeveelheid werkmensen die we zijn tegengekomen plannen ze misschien de klus te klaren tegen het volgend millennium). Enkele uurtjes later reden we Bulgan binnen. Samen met Markus en Veronika aten we een heerlijke vegetarische maaltijd (geen blikvoer! geen schaap!) voor we afscheid van hen namen. Ondertussen had Tim gebeld om te informeren wanneer we zouden aankomen in UB, en met het nieuws dat we enkele dagen later op excursie zouden vertrekken naar de Gobi-woestijn. Met nog een 450 km voor de boeg en nog een bezienswaardigheid onderweg reden we enkele uurtjes verder. We probeerden in Erdenet binnen te lopen in één van de grootste koper-mijnen van de wereld, maar we mochten niet van de wachter. Uiteindelijk parkeerden en sliepen we aan de afslag richting het Amarbayasgalant klooster dat we nog wilden bezoeken.

De volgende dag lang uitslapen en oliebollen ontbijt! Daarna administratieve regelingen voor de verlenging van ons paspoort, proberen uit te vissen hoe alles in elkaar zit voor het Russisch visum, op zoek gaan naar medereizigers voor de Gobi woestijn en een beetje typen in mijn nieuw café.

Het klooster lag 35 km ten noorden van de hoofdweg, en was uiteraard enkel bereikbaar via een dirttrack. Die extra kilometers waren echter de moeite. Even was er een moment van paniek toen het gaspedaal niet meer omhoogveerde (zonder gas bij te geven weliswaar). Bij het openen van de motorkist was al snel duidelijk wat het probleem was: het beugeltje dat normaalgezien weerstand biedt aan de kabel die met het gaspedaal verbonden zit, zat los. De twee bouten waarmee het normaalgezien vastzat, waren volledig losgetrild en verdwenen. We maakten gebruik van onze uitgebreide collectie bouten en konden snel weer verder. Na enkele pasjes verscheen het grote tempelcomplex aan het einde van een vallei. Een jongentje in boeddhistische outfit met een bos sleutels in de hand leidde ons rond, van tempel naar tempel, telkens prachtig gedecoreerd en met een fijne houten dakstructuur. Een zeer serene omgeving, zeer rustig en stil; de antipode van onze eindbestemming die dag.

Voor mij ook deze dag geen spectaculaire bezienswaardigheden zoals de tempelcomplexen van hierboven, maar opnieuw naar de immigratie met Muugie om onze paspoorten op te pikken en verder uit te zoeken wat aldanniet mogelijk was, omdat er toch wat addertjes onder het gras bleken te zitten om aan een Russisch toeristenvisum te geraken in Mongolië. De rest van de dag opnieuw naar Café Amsterdam, waar ik ondertussen een eerste medepassagier gevonden had voor onze woestijntocht en waar ik een stukje blog zou gaan schrijven.

Nadat we een geïnteresseerde Mongoolse buschauffeur een rondleiding van Rosie hadden gegeven, reden we terug tot aan de hoofdweg en zonder verdere belemmeringen op naar Ulaanbaatar (in de volksmond ook wel Joebie, ofte UB genoemd), waar de helft van de bevolking van Mongolië, zo’n 1,5 miljoen mensen, woont. Het verkeer werd drukker (niet onlogisch als je vertrekt van nul tegenliggers per uur) en achter de bergen verscheen een grote lichtbal. In het donker reden we de stad binnen en maakten we meteen kennis met het fantastische verkeerssysteem: geen systeem, voorbijsteken waar je maar wil, geen voorrang verlenen en jezelf een weg forceren door de drukke verkeersmassa. Wat zij kunnen dat kunnen wij echter ook; zeker aangezien onze auto tweemaal zo hoog, lang en zwaar als de rest is. Na enkel toertjes rondrijden vonden we de plaats waar Tim ons opwachtte en hij leidde ons naar het huis van Haivii, waar Muugi en Haivii ons opwachtten en ons nog een heerlijke maaltijd, een frisse pint en een bed aanboden …

Onze hoofdopdracht in Ulaanbaatar bestond erin ons visum voor Rusland te regelen. Tot Mongolië was alles al geregeld, maar de terugweg niet, en na enkele uren rondzwerven beklaagden we het ons een beetje. Chadr reed met ons rond naar een plaats waar ze ons visum zouden kunnen regelen, maar uiteindelijk bleek dat zij geen toeristenvisum konden regelen voor ons, enkel een transit van 10 dagen. Nog niet verslagen gingen we naar de Russische ambassade voor wat informatie. Wat bleek, enkel inwoners van een 8-tal landen kunnen een toeristenvisum verkrijgen in UB, België uiteraard niet inbegrepen. De uitzondering is voor iemand die langer dan 90 dagen in Mongolië mag verblijven. De dienst immigratie kan echter het visum maar één maal verlengen voor een periode van 30 dagen, wat een maximale verblijfsperiode van 60 dagen oplevert. Tof. Nadat we dit te horen kregen beseften we dat er niet veel anders op zat dan onze plannen te wijzigen. en een optie die we enkele maanden eerder even overwogen hadden dook weer op. Toen we met Philippe samenreisden in Tadjikistan en Kyrgizië vertelde hij ons over zijn plannen om een herberg te openen in Odessa, Oekraïne, dus we kunnen hem daar gaan opzoeken. Als we maar tien dagen hebben, dan nemen we liefst de kortste afstand, en dat is in een rechte lijn naar Oekraïne. Bovendien zien we dan de streek rond Volgograd (het oude Stalingrad) ook nog eens. Ons plan werd dus als volgt aangepast: we gaan naar Oekraïne, waar we nog een extra land gaan bezoeken en voor de derde maal een Russisch visum aanvragen. In Kiev ontmoeten we Pieter, die van daaraf een maand met ons meereist, naar het noorden van Rusland tot Helsinki, vanwaar we ons traject gewoon weer verderzetten. We overwegen nog een passage door Wit-Rusland te maken, maar daarvoor moeten we onze planning nog eens grondig bekijken.
Ook Sara moest enkele visumzaken regelen. In UB zouden onze wegen na een goeie 5 weken samenreizen weer opsplitsen. Sara ging de andere kant op, richting China en verder zuidwaarts. Ook zij kreeg niet wat ze wou. Ze kon enkel een 30 dagen single entry krijgen, wat voor een land als China niet echt veel is.
Na de teleurstellende visumzaken besloten we ons terug te trekken op het terras van, Tims stamcafé, café Amsterdam, waar tot overmaat van ramp geen bier te verkrijgen was. Blijkbaar worden op elke eerste dag van de maand geen alcoholische dranken geschonken in de cafés, noch verkocht in de winkels van UB. Bloemetjesthee drinken dan maar en ondertussen het thuisfront even opbellen. Als avondvullende activiteit besloten we naar de cinéma te gaan, waar “Inception” gedraaid werd, met mongoolse ondertitels! Voor het eerst in meer dan vijf maand konden we achteruitzakken in een comfortabele bioscoopzetel en genieten van een steengoeie film die niet verbrod werd door dubstemmen.

Onze auto had al een beetje geleden gedurende de 25000km die we sinds begin april hadden afgelegd. Reeds na een maand onderweg besloten we een dikke laag tape op onze rechterdeur te leggen, omdat we constant bedolven werden onder een hoop roest. De deur begon wat af te hangen en het profiel rechts van ons raam begon ook al weg te roesten. Met het plan om bij aankomst thuis nog steeds iets te kunnen aanvangen met de wagen, en hem nogmaals door de keuring te krijgen, besloten we er in UB uiteindelijk toch iets aan te doen. Samen met een kennis van Haivii gingen we dus op pad, op zoek naar een goede lasser en een goede prijs. Bij de derde plaats zaten we goed. We konden de auto er achterlaten en ’s avonds weer oppikken. Voor een goeie 100 euro was onze deur hersteld, de schuifdeur gefixt, alsook de bumper en het opstapje achteraan, compleet met een polyester afwerkingslaag en een laagje lak.
Terug ten huize Haivii kregen we een heerlijke schotel buuz met paardenvlees voorgeschoteld, die we deelden met twee andere auto-reizende Belgen die viavia ook bij Haivii terechtgekomen waren. Gek genoeg hadden we An en Jo al eens gezien, op een beurs van de Wegwijzer in Brugge, terwijl we beiden onze voorbereidingen aan het treffen waren voor de reis. (www.anenjo.be) Met hun fantastisch ingerichte en gemodificeerde Nissan Patrol waren ze wel wat beter voorzien op de wegen in Mongolië, maar we verkiezen toch nog steeds het comfort en de ruimte van onze Rosie die er nu trouwens ook weer veel mooier uitziet.

De volgende dag was het tijd om naar de Gobi-woestijn te vertrekken, deze keer zonder ons vertrouwde vehikel, want na onze vorige avonturen in de duinen wilden we toch geen nieuwe risico’s meer nemen. We namen afscheid van Sara, die we waarschijnlijk niet meer zouden zien. We vertrokken op pad samen met Mickey (Miguel), een grappige Spanjaard die zijn geld verdient met het spelen van online poker (we hebben nog wat tips voor jou, Wannes) en Yves, een iets oudere Fransman; met als chauffeur de goedlachse Sodor, en als vertaler Badan, een bedeesd jong meisje. Het was aangenaam eens gevoerd te worden over deze wegen, zonder ons zorgen te moeten maken over de auto, of zonder constant geconcentreerd op de weg te moeten letten. De eerste avond stopten we bij enkele gers, waar we aten en bleven slapen.

De tweede dag bezochten we een klooster en reden door tot een luxueus ger-kamp. Op voorwaarde dat dit de enige keer zou zijn betaalden we de $30 en profiteerden van de goeie voorzieningen – elektriciteit en stromend water – in “the Secret of Ongii”. Samen met Mickey bekeken we een filmpje op zijn pc.

Dag drie bracht ons van een vervallen Boeddhistisch klooster tot aan de Flaming Cliffs, enkele prachtige felrood gekleurde rotsformaties, waar enkele decennia geleden een hele hoop dinosaurus-skeletten gevonden zijn, alsook de eerste dinosauruseieren ter wereld. Ook nu zitten er nog steeds dino-ei-fossielen in de rotsen. We aten in een ger-kamp waar de bende van Mike Horn per toeval ook gestationneerd was. Omdat het kamp nogal duur was vroegen we de chauffeur ergens anders heen te gaan, en hij bracht ons naar enkele gers, waar we voor een vijfde van de prijs konden blijven slapen.

Op onze vierde dag in de woestijn, reden we een uurtje op kamelen en daarna gingen we verder naar Khongryn Els, waar 200km lange 60 meter hoge duinen te zien zijn. Onze verbeelding werd echter sterk op de proef gesteld, want gedurende de dag werd het weer steeds slechter en slechter. Op een gegeven moment deed de chauffeur teken dat we normaalgezien een mooie foto zouden kunnen trekken, maar al wat we konden zien was de weg die verdween in de mist. Naarmate we naderden werden de duinen wel zichtbaar, maar niet echt meer uitnodigend.

Ook de volgende dag was het weer niet meteen aangenaam. Niettemin wilden we de duinen eens van dichtbij zien. We liepen tussen enkele vreemde bulten door, over een brugje, door een grasveld en uiteindelijk op de duinen. Het begon harder te regen, en het fototoestel begon wat moeilijk te doen door het vocht, dus keerden we terug, volledig doorweekt. We reden van de duinen naar een ander natuurfenomeen, de ijskloof Yolyn Am, via een zeer spectaculaire, smalle kloof. Het regende er nog steeds, en het ijs dat normaalgezien de kloof vult was rond deze tijd van het jaar gesmolten. Weer geen geluk dus. Die avond kwamen we in de hoofdstad van de regio aan. We aten er voor de verandering eens iets anders als schaap, namelijk kip, wat in het mongools biefstuk met ei is. Ook niet slecht.

Op de zesde dag was er niks meer te zien. We vroegen de chauffeur of hij rechtstreeks naar UB kon terugrijden in plaats van de geplande tweedaagse terugrit, want het regende nog steeds. Blij dat hij een dag vrij zou hebben de dag erna reed hij door tot we ’s nachts de lichten weer zagen verschijnen van achter de bergen en het asfalt weer terug kwam.

We waren blij weer in UB aan te komen na zes dagen in de auto te zitten, en vierden het met een pint. In de herberg van Mickey en Yves ontmoetten we twee Duitse en een Zwitserse vrouw, die we volgden naar een Duitse bakkerij voor koffie met boterkoeken. Even later probeerden we ons visum op te halen bij de russische ambassade, maar aangezien ze deze enkel geven tussen 12u20 en 12u45, moesten we de volgende dag terugkeren. We controleerden onze mails en zagen dat Sara nog steeds in UB was en zich wat aan het vervelen was. We bezorgden enkele boeken, die Bert Gevaert ons in Brugge gegeven had, aan Bagana en keerden terug naar huis voor een douche. We gingen terug naar de herberg waar Sara logeerde en werden er vrolijk ontvangen door een jarige Fin. We luisterden wat naar gitaarmuziek en verhuisden naar een café. Niet zo vroeg op de avond keerden we taxigewijs terug naar huis.

Na eens goed uit te slapen pikten we gisteren ons visum op bij de ambassade en begaven ons daarna naar de State Department Store (onze vaste afspreek-plek vlakbij Café Amsterdam), waar we met Syrtamp en Sara hadden afgesproken om iets te gaan eten. Daarna nog een theetje in café Amsterdam, tot het tijd was voor Sara om haar trein richting Beijing te nemen. We vergezelden haar tot aan haar coupé en namen deze keer voorgoed afscheid, met de belofte eens in Schotland of België af te spreken.
Samen met Syrtamp stapten we nog een café binnen voor een laatste drankje, waar per toeval ook twee West-Vlamingen kwamen binnengewandeld. Met Jan en Stefanie hadden we een gezellige babbel boven een portie buuz, en uiteindelijk keerden we vroeg weer naar huis.

Vandaag hebben we wat aan de auto gewerkt, gekuist en alle vijzen aangedraaid. Ondertussen hebben we deze tekst geschreven en wat met de kinderen gespeeld die hier wonen. We blijven nog enkele dagen in UB, want vreemd genoeg hebben we in al die tijd nog niet echt dingen kunnen bezoeken hier. Maandag gaan we nog een standbeeld van Chingghis Khaan bezoeken en donderdag vertrekken we richting grens, om aan onze passage door Rusland te beginnen.
Onze volgende update proberen we wat sneller en compacter te formuleren, want we weten hoe vermoeiend het kan zijn om zo veel tekst in één keer te lezen. Toch hopen we dat onze verhalen, hoe uitgebreid ook, jullie steeds kunnen blijven boeien.

Bovendien, al een beetje laat uiteraard, maar laat het zeker niet na ons eens te proberen te bellen met skype op +976/88422795 of +976/88422794.

Warme groeten,

Wim en Tim





Mongolia!!!!!

3 09 2010

Sainbainuuu iedereen!!!

Na lang wachten geven we een nieuwe update. De afgelopen dagen zijn er veel onbereikbare plekken geweest en er is ook redelijk wat gebeurd. Verwacht jullie dus aan een bijzonder uitgebreid verslag met veel spannende momenten en verrassingen…
Het eerste stukje van deze blog werd twintig dagen geleden geschreven vanop een grasvlakte ergens in de eindeloze steppes van Mongolië, met een licht briesje door de haren en na een nachtje Chinggis vodka geproefd te hebben. Het tweede deel werd geschreven vanuit de maffe hoofdstad Ulaanbaatar met zicht op het moois van de straat en met binnen handbereik een biertje, een notitieboekje en een tiental toeristen die graag voor een gezellige babbel gaan. Het laatste deel werd geschreven vanuit onze verblijfplaats in Ulaanbaatar, in een ger.

Dankzij de Mongoolse wegen, die ervoor zorgden dat er deze keer niet in de auto geblogd kon worden, moet de tussentijdse evaluatie omtrent de staat van de auto eventjes aangevuld worden. De tracks hebben ervoor gezorgd dat we de beschermbak van rond de versnellingsbak ergens kwijtgespeeld zijn en ergens onderweg ontdekten we dat we toch wat meer naar links doorveerden dan naar rechts. Een snelle check leerde ons dat er één van de bladveren doorgebroken was. Dit gebeurde nogmaals aan de rechterkant.
De trillingen zorgden er voor dat verschillende bouten en vijzen gingen lostrillen. Ondermeer twee bouten uit een beugeltje die de gaspedaalkabel begeleidt en waardoor het gaspedaal plots omlaag bleef staan. Het zand en stof zorgde er dan weer voor dat andere delen gingen samenkoeken. De versnellingspook weigerde op een bepaald ogenblik in achteruit te gaan doordat een veertje vastkoekte en de radiator moest meermaals uitgekuist worden. De herstellingen zijn ondertussen uitgevoerd.
Alle roeststukjes en kapotte carrosseriesplekjes die we de afgelopen maanden opgelopen hadden, zijn hier ondertussen ook mooi gelast en gepolyesterd!

Na het vorige schrijven kwamen we over het zachte Russische asfalt aangescheurd in Barnaul waar we slechts enkele praktische doelen hadden. Info verzamelen, mails versturen, kaartjes posten, een gsmkaart vinden, geld pinnen, voltanken met goedkope Russische diesel en onszelf eens goed volstoppen met een stevige maaltijd.

Na deze praktikaliteiten bezochten we in onze eerste Russische stad een Museum van de Altairegio. Het museum omvatte voornamelijk werken en foto’s van lokale schrijvers, schilders, acteurs en religieuze figuren. Iets wat ons nog maar moeilijk kon boeien na 2 maanden van lokale ex-sovjetstijl musea. Het museum bevatte wel een ongelooflijk maf luik. Gedetailleerde theaterpoppen met de meest uiteenlopende materialen van ondermeer Tsjerdakov Boris Angrevits.
De volgende vijf uren waren voor ons als belgen zeer herkenbaar. We reden door de ardennen. 280 km van afwisselend velden en dennenbossen langs een perfecte weg die rustig over de heuvels golft. Op naar Gorno-Altaisk, waar we een verplichte registratiestop moesten maken. Rusland zou zijn faam toch niet nakomen moest er niet ergens een extra (schijnbaar nodeloze) registratie noodzakelijk zijn. Ware het niet verplicht geweest voor de registratie om een nacht te blijven, dan zou geen haar op ons hoofd eraan gedacht hebben om in deze troosteloze lijnstad langer dan een uur te blijven. Niettegenstaande het gebrek aan bezienswaardigheden konden we ons wel amuseren dankzij het door springkastelen omringd, fijn gesculpteerde Leninstandbeeld.
Met onze registratie op zak trokken we de Altai republiek in. Geen ardennen meer, maar met sneeuw bedekte pieken, diepe valleien en heldere rivieren. Al dat schoons vloog aan ons voorbij, want de volgende dag moesten we de grens over. Tegen de avond bereikten we Kosh-Agach, het laatste echte dorp voor de grens. We overnachtten op een leeg stuk grond tussen de weg en de huizen, tankten alles vol en reden naar de grens.

Tegen de normale gang van zaken in waren we niet de enige buitenlanders aan de grens. Een viertal wagens die deelnemen aan de Mongol Rally stonden in de rij te wachten om Rusland buiten te rijden. (http://mongolrally.theadventurists.com/)
Na een uitgebreide controle aan de Russische kant met de obligatoire drugshond en een lekker ingewikkelde administratie volgde nog tien kilometer asfalt en dan… in het midden van niemandsland een poortje, één Russische soldaat en… Het einde van de weg! Het begin van het niemandslandgedeelte van Mongolië. Geen weg meer, yaks, herders met schapen en gers (mongoolse yurts). We waren meteen in Mongolië! Zalig.

Maar aan de Mongoolse grenspost zag het er eventje naar uit dat we vast zouden komen te staan… Twintig auto’s en dienstvoertuigen die deelnemen aan de Mongol Rally stonden geblokkeerd aan de grens en Sara haar visum voor Mongolië was ook niet helemaal in orde (toegegeven, dat wisten we al enkele dagen). Maar na lunchtijd, toen de poorten opengingen verliep alles ongelooflijk vlot. Even in de rij wachten, de situatie observeren, dankzij de verwarde situatie niet eens het paspoort van Sara goed bekeken, na even in de rij te wachten ontdekt dat wij geen problemen zouden mogen hebben omdat we onze auto niet permanent importeren zoals de rallymensen en dan maar mooi voorgestoken en duidelijk gezegd ‘NO MONGOL RALLY’. Vijf minuten later werd onze auto gecontroleerd door drie officiers die snel eventjes hun hoofd binnen staken. Nog een verzekering en wat wegentax en hup hup hup IN HET LAND ZONDER WEGEN!

Wat volgde die dag was een fijne rit waarbij we voor het eerst moesten kiezen tussen de tientallen tracks en volop moesten vertrouwen op gps en hulp van locals. We ontdekten hoe leuk het is geen echte wegen te hebben en ontdekten dat onze Rosie een goeie auto was voor dit land. Bij het bestijgen van een bergpas hadden we een stuk minder moeite dan een andere auto van de Rally en bovenop die pas wou een local meteen zijn UAZ jeep (het voertuig dat overal in Mongolië door alle slechtste tracks geraakt en zonder problemen door de woestijn rijdt) wou inwisselen voor onze Rosie… Het veroorzaakte een kort moment van twijfel, maar Rosie ligt ons toch al te nauw aan het hart. Na een eerste Mongoolse rit van ongeveer 5u voor 150km wisten we aan wat we ons zouden mogen gaan verwachten. 2000km naar de hoofdstad aan een gemiddelde van 30km/u. HEERLIJK.

Olgii was onze eerste stad in Mongolië. De stad waar vele toeristen verzamelen om de bergen in te trekken in de woeste Altai regio. Maar ook een stad die door deze toeristen vervloekt wordt omdat ze een bus van drie dagen en drie nachten moeten nemen en uiteindelijk in de slechtste ex-sovjethotels ooit terecht komen. Gelukkig moesten wij ons daar allemaal geen zorgen over maken, want Rosie was onze slaapplaats en Rosie was ons perfect vervoermiddel!

De twee dagen in de stad gebruikten we om wat inkopen te doen, de thermostaat eindelijk terug te installeren, losse bouten aan te draaien, kleine mankementjes op te lossen, om de plannen voor de volgende dagen scherp te stellen, maar vooral om wat mensen te ontmoeten, het lokale eten te onderzoeken en op de markt rond te dolen.

Zondagmorgen na een goeie nacht vertrokken we tenslotte voor een testje. We reden met z’n zessen door een boeiend landschap richting de volgende stad. Het team bestond uit ons twee, Sara en drie nieuwe medereizigers: Andrea uit Milaan, Mattan uit Israël en Jana uit Tsjechië. Een testje omdat we aan Mattan en Jana vanaf het begin moesten meededelen dat we eerst zouden kijken hoe de auto reageerde. En Rosie reageerde… Na een goeie dag rijden begon een kloppend geluid op te vallen… Jammergenoeg was mijn gok juist en betrof het een kloppend geluid van de schokdemper links achteraan. Twee van de vier bladveren waren gekraakt. Een combinatie van metaalmoeheid, intensieve wegen en een te zwaar geladen auto. Een beetje trager rijden en een extra overnachting brachten ons uiteindelijk naar Khovd waar we nog een laatste maal samen deelden om enkel met Sara en Andrea verder te reizen. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was herstelden we de bladveren in een drietal uur: kleine ‘garage’ gevonden, wiel eraf, alles lostikken en losdraaien, overgebleven veren mee naar de markt, eindje zoeken naar dik genoege modellen, stukje afschijven van de te grote bladveren, stukje aanlassen, er weer in ploffen en klaar! Ook de andere kant toonde vermoeidheidsverschijnselen en kraken, maar er waren geen stukken meer in de stad, dus een beetje rubber ronddraaien om alles op z’n plaats te houden: ‘The Mongolian Way’. Tijdens de herstellingswerken sloegen onze medereizigers voorraad in voor 5 dagen woestijn, zodat alles safe verlopen zou. Simultane arbeid, kort internet, tank volgooien en de stad uit. Op aanraden van onze garagist reden we niet langs de meest gebruikte zuidelijke hoofdweg, maar trokken we het binnenland door. Vlak door het midden van Mongolië, op een volgens kaart en GPS onbestaande weg…

De volgende dag cruisden we aan 90km/h over perfect asfalt, tot deze abrupt stopte na 50km. Vanaf daar reden we de verwarrende, onbestaande, tracks op; door onbewoonde steppes. Na enkele uren werden we de logica gewoon en vlogen we over de heerlijke aardenwegen. ‘Heerlijk’ omdat ze niet kapotgereden waren zoals sommige hoofdwegen en omwille van de mooiste landschappen die we ooit in ons leven zagen. Een onbeschrijflijke dag, die zichzelf enkel een beetje kan blootgeven via de foto’s. Openvallende monden door de landschappen, zalige plekken om te Kubben, een onbekend Boeddhistisch complex en een nacht in ‘the middle of nowhere’.

Opstaan de volgende dag ging wat moeizaam dankzij de Russische biertjes, maar opstaan in de woestijnsteppe is een heerlijke ervaring. Het is als aan een eindeloos strand liggen met kamelen in de verte als schepen van de woestijn. Freesbee, kubb, picknicken, in de zon liggen… Opnieuw was het een moeilijk te beschrijven dag. Niet meteen zoals de dag ervoor, maar met iets meer beproevingen. Wat er precies gebeurd is kunnen jullie binnenkort lezen op http://www.nieuwsblad.be/wereldreis, dus jullie zullen nog eventje moeten wachten om te zien hoe we door de woestijn geraakten! Jammergenoeg geen cliffhanger, maar in de plaats een flashforward: we geraakten er uiteindelijk door en arriveerden een dag later in Uliastai.

Na een korte wandeling door de stad en een grondige afstoffing van de wagen, waar een deel van de woestijn zich had opgehoopt, reden we meteen verder; niet langer naar het oosten, maar noordwaarts, richting Khovsgol nuur, de kleine broer van lake Baikal.Vanaf Uliastai was het een rit van twee dagen vooraleer we Khatgal bereikten, een klein dorpje aan de zuidelijke oever van het meer. Het was twee dagen rijden door steeds denser wordende dennebossen en enorme valleien, langs brede rivieren, en met af en toe een pit-stop bij een grafheuvel met ‘deer-stones’ en ‘balbals’, op een pas met een stupa, of een stoffig cowboy-dorpje, zoals Telmen. Zoals we ook de avonden daarvoor hadden gedaan, kampeerden we bij valavond ergens op een mooi en rustig plekje, voorzag meesterkok Andrea ons van fijns uit de Italiaanse keuken (die we toch wel verkiezen boven de Schotse), dronken we een pintje, speelden een spelletje kaart, keken wat naar de sterren en gingen we niet te laat gaan slapen. Bij gelegenheid stookten we een vuurtje, waaraan we ons konden warmen na een frisse duik in de rivier.

In Khatgal wilden we gaan paardrijden. We spraken af met Sainbayar en Syrtamp, de lokale leraar engels, wiens gegevens we viavia hadden verkregen (het ‘Active Adventures Tours Mongolia’ bureau van Gana en Bagana in Ulaanbaatar: http://www.tourmongolia.com), en ons aan een voordelige prijs een tour konden aanbieden. ’s Ochtends dronken we een theetje in de auto om de plannen en prijzen te bespreken, even later brachten we de auto naar het erf van parkranger Sainbayar, die bleek verantwoordelijk te zijn voor het verzamelen en verwerken van al het afval in het natuurpark (meer info over zijn organisatie, ‘From Sunrise to Sunset’ en de 100km marathon die ze jaarlijks organiseren: http://www.ultramongolia.com). De avond voordien hadden we gemerkt dat onze vering het aan de rechterkant had begeven, en Sainbayar zou ervoor zorgen dat het hersteld zou zijn wanneer we terugkeerden. De auto veilig geparkeerd, verzamelden we alles wat we zouden nodig hebben voor zes dagen paardrijden en kamperen in de bossen en de bergen rond het meer. Een uurtje later kwamen we aan bij de ger van onze gids en nog een uur later bestegen we elk ons ros en gingen we op pad.
De mongoolse namen van onze paarden waren te moeilijk te onthouden, dus verzonnen we nieuwe. Andrea bereed een zwarte hengst, Esposito. Sara een donkergrijze hengst die, wegens herhaaldelijk belemmeren van de andere paarden, Vlad the Impediment werd genoemd. Wij bereden André – een koppige beige hengst, de leider en het meest fitte paard van de groep – en Magdalena, een slome, kleine, bruine merrie. Ons pakpaard werd gewoon pakpaard genoemd. Op gezapig tempo reden we door de valleien en de bossen, door riviertjes en grasvelden. Het weer was mooi en we reden enkele uren. In de bocht van een vallei stapten we van onze paarden. De pijn in de knieën en aan het zitvlak was gelukkig maar van korte duur en algauw schaarden we ons rond een heerlijk knetterend vuurtje, met een stomende kop noedels in onze handen. Om de avond af te sluiten gaven we de vodka fles enkele malen door, zodat we, zowel warm vanbinnen als vanbuiten, in onze tent konden kruipen.

De tweede dag paardrijden konden we weer voelen waar het de vorige dag had pijngedaan, maar veel tijd om te klagen hadden we niet. We stegen op in een vallei, door moerassige gebieden en over een eerste bergpasje. Waar de grond goed was waagden we ons aan een stukje galop, meestal onder leiding van André, die graag de benen eens grondig strekte. We daalden weer een stukje af in een prachtige vallei, waar herfstkleuren het felle groen al hadden verdreven. Daarna terug omhoog tot op de volgende pas, en dan plots… Khovsgol nuur, een prachtig panorama over het meer dat zich zo ver naar links en rechts uitstrekte dat we niet konden zien waar het eindigde. Na de obligatoire foto daalden we af, paard aan de hand, via een nauw paadje tot aan de oever van het meer, waar we ons kamp opsloegen.

De volgende dag viel ons eerste slachtoffer. Blijkbaar was de worst die we hadden meegebracht niet helemaal gezond en Sara verkoos een dag in een gerkamp uit te rusten en haar maag wat op orde te laten komen. Wij, echte mannen, ondervonden geen last van desbetreffende worst en reden – na er ons van verzekerd te hebben dat er goed voor Sara gezorgd zou worden – verder. Enkele kilometers verder stopten we bij het kamp van Mike Horn, naar het schijnt een wereldbekende Zuid-Afrikaanse avonturier, die enkele jongeren had geselecteerd om met hem mee door Mongolië te reizen en wat proefjes te doen. Al snel lieten we de man die het amazonewoud doorkruiste en zijn discipelen die wat grondstalen aan het nemen waren, voor wat ze waren en trokken we verder. We kampeerden aan de voet van een berg die we de dag erna zouden beklimmen, zonder paard weliswaar.

Om zes uur stonden we op, dronken we wat naar schaap smakende thee en deden we met enkele boterhammetjes wat energie op voor de wandeling. Een tweetal uur klimmen later bereikten we de top, vanwaar we normaalgezien een fantastisch zicht over het meer moesten hebben. Het meer zat echter compleet verborgen onder een dikke laag mist, en in plaats van water zagen we enkel wolken. Niettemin was het bijzonder aangenaam vertoeven zo hoog boven de wolken, en we hielden een half uurtje platte rust, in de hoop dat het wolkendek zou wegtrekken. Er kwam echter geen verbetering in de situatie, dus wandelden we weer naar beneden. Na een snelle maaltijd (boekwijt + schaap, als variatie op die andere klassieker: rijst + schaap) sprongen we weer op ons paard en keerden we terug op ons pad, langs de oever van het meer, richting ger-kamp. Onderweg echter viel ons tweede slachtoffer, en ditmaal was het erger dan buikpijn…
Andrea was van zijn paard afgestapt om zijn hoofddeksel op te rapen en bleef enkele meters achter. Bij het opstappen, nog maar één voet in de beugel, begon Esposito naar onze groep toe te galopperen. Het zadel draaide wegens de ongelijke belasting om de buik van het paard en Andrea viel. Bij zijn landing klonk een luide ‘knap’, en we beseften meteen dat zijn been gebroken was. We stapten snel van ons paard, bonden ze allemaal aan een boom en onze gids nam Tims André om zo snel mogelijk een jeep te halen. Gelukkig bevonden we ons op een bereden pad, waar jeeps zich nog een weg konden banen. We maakten het Andrea zo comfortabel mogelijk, probeerden hem gerust te stellen, verzamelden telefoonnummers van ouders en vrienden, zorgden dat hij geen kou had, bereiden wat spalken voor en brouwden wat thee. Een tweetal uur later kwam de jeep, met onze gids, een ervaren chauffeur, Syrtamp, Sainbayar en een dokter. Andrea’s been werd gespalkt en hij kreeg een pijnstiller toegediend. Daarna werd hij vooraan in de jeep geplaatst en werd zijn been zo goed mogelijk vastgezet, met behulp van slaapzakken en matjes… Vervolgens deed de chauffeur zijn best om zo voorzichtig mogelijk terug naar Khatgal te rijden, over wegen waar zelfs wij (!) ons niet echt zouden willen wagen; zelfs niet met een jeep. Onderweg pikten we snel Sara op, die – zelf ondertussen weer gezond – tijdens de rit op de hoogte werd gesteld van de gebeurtenissen. Zo’n 40 km moest Andrea afzien in de auto, en bij elke put en bult in de weg voelden we met hem mee. Uiteindelijk bereikten we het ziekenhuis, waar enkele dokters zijn been bekeken, en de ouders van Andrea op de hoogte gesteld werden. Syrtamp wist ons te vertellen dat Andrea heel veel geluk had, want even tevoren was er een steekpartij geweest in het dorp. Een man was in het hart gestoken en enkele chirurgen waren van Mörön overgekomen om een operatie uit te voeren (we hoorden enkele dagen geleden dat de man ondertussen gestorven is). Eén van de chirurgen kon dus een epidurale toedienen en het been weer in de juiste positie draaien. Om het been grondiger te onderzoeken moest Andrea echter in Ulaanbaatar zijn, en de enige manier om daar snel en goed te geraken was met de helikopter. Met de hulp van Syrtamp en Bagana, ons contact van het tour-bureau in UB, konden we met redelijk wat moeite toch een helikoptervlucht regelen (alle helikopterverkeer verloopt via privémaatschappijen die ‘cash zekerheid willen’ in Mongolië, en Andrea’s verzekering dekte wel alle kosten, maar regelde zelf niets), en om te zorgen dat alles goed zou verlopen, zou één van ons hem vergezellen en dat werd Tim omdat het italiaans misschien wel ergens van pas zou kunnen komen. Voor het eerst in vijf maanden tijd splitsten onze paden zich op, zo dicht bij het uiterste punt van onze trip…

Groetjes,
Wim, Sara en Tim